Nieuws

/Nieuws
Nieuws2021-06-14T08:55:19+00:00
Loading...

Update jurisprudentie

9 juni 2021

Verbintenissenrecht
De grenzen van een inspanningsverplichting voor de gemeente (ECLI:NL:HR:2021:339)

Een ontwikkelaar heeft een exploitatieovereenkomst gesloten met de gemeente, waarin de gemeente zich verplicht om zich in te spannen de bouwvergunningen die voor de uitvoering van het project nodig zijn direct na het indienen van elke aanvraag in behandeling te nemen en binnen de gestelde wettelijke termijnen af te handelen. De ontwikkelaar heeft ook een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten met een derde, waarin is bepaald dat partijen de overeenkomst mogen ontbinden indien de ontwikkelaar niet uiterlijk 31 december 2009 in het bezit is van de voor het project benodigde vergunningen.

De gemeente heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn op de aanvragen voor de bouwvergunningen beslist, waardoor de vergunningen van rechtswege zijn verleend. De koop-/aannemingsovereenkomst wordt echter ontbonden door de derde omdat de termijn van 31 december 2009 niet gehaald is. De ontwikkelaar stelt dat de gemeente tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

De Hoge Raad is van oordeel dat een verdergaande betekenis van de inspanningsverplichtingen niet uit de exploitatieovereenkomst kan worden afgeleid: deze bevat geen afwijking van de wettelijke beslistermijnen of een sanctie op het niet nakomen van verplichtingen door de gemeente. In het bijzonder blijkt niet dat is beoogd om zonder meer een contractuele aansprakelijkheid te scheppen voor het geval dat de gemeente niet tijdig zou beslissen op bouwaanvragen.

Pachtrecht
Glyfosaatverbod op reguliere pacht niet gesteund door staatssecretaris Knops (Kamerbrief, 25 mei 2021)

De Tweede Kamer heeft in december 2020 een motie aangenomen waarin de regering verzocht werd om glyfosaathoudende middelen op gronden van het Rijksvastgoedbedrijf te verbieden. Staatssecretaris Knops reageert per brief op deze motie en voert aan dat dit op basis van geldend recht niet mogelijk is voor het overgrote deel van de pachtovereenkomsten.

Een wettelijke beperking van het gebruik van dergelijke middelen s alleen mogelijk als blijkt uit nieuwe wetenschappelijke inzichten dat niet meer voldaan wordt aan de goedkeurings- en toelatingsvoorwaarden. Hiervan is op dit moment geen sprake. Om deze reden is het huidige beleid (als gevolg van afspraken met de agrarische sector) dat er geen glyfosaathoudende middelen worden gebruikt, tenzij het niet anders kan.

Om aan de aangenomen motie te kunnen voldoen dienen alle pachtovereenkomsten eenzijdig en direct aangepast te worden. 90% van de pachtovereenkomsten betreffen regulier verpachte gronden. Op basis van geldend recht is het niet mogelijk deze overeenkomsten aan te passen zoals voorgesteld in de motie.

In zijn algemeenheid valt op te merken dat in nieuwe pachtovereenkomsten een glyfosaatverbod onder omstandigheden afgesproken lijkt te kunnen worden. De Centrale Grondkamer heeft in 2020 geoordeeld (GP 11.812) dat de bepaling “Op het pachtobject mogen geen glyfosaat houdende middelen (bijvoorbeeld Roundup) worden gebruikt.” geen buitensporige verplichting voor de pachter betreft. Het ging hier om een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor de duur van 1 jaar en de Centrale Grondkamer hield rekening met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder (1) het feit dat het gaat om gebruik waarbij geen perspectief is op langer gebruik, (2) het gepachte openbaar is aangeboden waarbij het glyfosaatverbod is aangegeven, en (3) het verpachte niet onkruidvrij opgeleverd hoeft te worden.

Bestuursrecht
­Medegebruik en verhuur van onbenutte capaciteit hoogspanningsverbindingen (ECLI:NL:RBROT:2021:4237)

Leden van de Federatie Particulier Grondbezit (FPG) hebben toestemming gegeven aan TenneT voor de aanleg van mantelbuizen met glasvezel. TenneT stelt de onbenutte overcapaciteit van deze buizen tegen betaling beschikbaar aan derden. De FPG stelt dat dit medegebruik en verhuur niet is gedekt door de toestemming van de grondeigenaren, zoals gesteld in artikel 5a.6 lid 2 en 5a.7 Telecommunicatiewet (Tw) en vraagt de ACM handhavend op te treden.

De ACM stelt dat de toestemming uit de betreffende artikelen niet van toepassing is op de grondeigenaar, maar op de netwerkexploitant of andere derden. Omdat de FPG volgens de ACM niet voldoende informatie heeft verstrekt, besluit de ACM het verzoek niet te behandelen. De FPG stelt hiertegen bezwaar en later beroep in.

De rechtbank oordeelt dat het medegebruik in de zin van artikel 5a.7 Tw afhankelijk van de medewerking van derden, waaronder ook de grondeigenaar. Onder medegebruik moet echter niet worden verstaan het verlenen van toegang tot een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Dit valt onder de hoofdstukken 6 en 6a van de Tw, terwijl medegebruik in de zin van de hoofdstukken 5 en 5a Tw enkel ziet op medegebruik van de lege mantelbuizen en dus niet op het glasvezelnetwerk.

Hoe hobbymatig is hobbymatig? (ECLI:NL:RBLIM:2021:2582)

Op een aantal percelen rust een agrarische bestemming, waarbij het hobbymatig houden van dieren is toegestaan. Eiser houdt op de percelen dieren, omwonenden hebben hiertegen een handhavingsverzoek ingediend bij de gemeente. De gemeente legt een last onder dwangsom op, omdat er sprake zou zijn van het bedrijfsmatig houden van dieren voor de handel, omdat eiser een groothandel in levend vee en in handelsbemiddeling heeft en vanwege het aantal aangetroffen dieren en de geconstateerde wisselingen in aantallen.

Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat de dieren worden gehouden bij wijze van hobby en dat op de percelen geen sprake is van een groothandel in levend vee en handelsbemiddeling. Hij heeft de dieren in gelijke omvang van de vorige bewoner overgenomen. De vorige bewoner, die niet gelieerd was aan de groothandel van eiser, hield deze dieren ook bij wijze van hobby, waarmee vaststaat dat de omvang van de dieren niet het professioneel dan wel commercieel houden van dieren impliceert en dat het feitelijk gebruik past binnen het bestemmingsplan c.q. dient te worden gedoogd.

De rechtbank overweegt dat de vraag of het houden van dieren op de percelen van eiser als hobbymatig moet worden gezien – en derhalve de vraag of dit past binnen het bestemmingsplan – moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die het houden van de dieren in dit geval heeft. Daarbij is van belang of de door de gemeente gestelde handel in dieren op deze percelen een zodanige omvang en uitstraling heeft dat dit niet meer past binnen de bestemming die het hobbymatig houden van dieren toestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dit niet of onvoldoende onderkend en is het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Zowel het feit dat eiser een bedrijf heeft in onder andere handel van dieren als de wisseling in het aantal dieren (en de variatie in soorten) vormen wel aanwijzingen voor handel, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake is van hobbymatig houden van dieren.

2 juni 2021

Planschade
Planschade bij een terras (ECLI:NL:RVS:2021:954)
Het Conservatoriumhotel in Amsterdam verkreeg de mogelijkheid om op het binnenterrein een terras te plaatsen. Twee appellanten, eigenaren van panden naast het Conservatoriumhotel, meenden planschade te lijden en verzochten de gemeente om een tegemoetkoming. De gemeente was van mening dat de planschade het normaal maatschappelijk risico niet zou overstijgen en wees de verzoeken af, op basis van de adviezen die zij hierover kreeg. Bij het planologisch mogelijk maken van de vestiging van het Conservatoriumhotel hebben beide appellanten ook al een procedure gevoerd over planschade, en ook hier is vast komen te staan dat de planologisch nadeliger situatie het normaal maatschappelijk risico niet overstijgt.

De rechtbank was het met de adviseur eens dat de vestiging en de mogelijkheid van een terras voldoende samenhang vertoonden om aan te merken als één project. De rechtbank was echter, in tegenstelling tot de adviseur, van oordeel dat het niet in de lijn der verwachtingen lag dat op het binnenterrein van het Conservatoriumhotel een terras zou worden aangelegd. Als gevolg hiervan zou het normaal maatschappelijk risico lager dienen te liggen dan door de adviseur aangevoerd en zou aan appellanten een bedrag aan planschade vergoed moeten worden.

De Afdeling is het niet met de rechtbank eens, voor zover het gaat over de voorzienbaarheid dat er een terras zou worden toegestaan. Hoewel het niet onder de planologische mogelijkheden viel bij de vestiging van het Conservatoriumhotel, brengt dit niet zonder meer mee dat het planologisch mogelijk maken van de ingebruikname van (een deel van) het binnenterrein als horecaterras niet in lijn der verwachtingen lag. In de uitspraak van de Afdeling over de planschade die appellanten hebben geleden als gevolg van het planologisch mogelijk maken van het Conservatoriumhotel heeft de Afdeling een voorschot genomen op een eventuele procedure over de planschade die zou kunnen voortvloeien uit het mogelijk maken van een terras op het binnenterrein van het hotel. Appellanten kunnen dus niet opnieuw een beroep op planschade doen.

Omgevingsvergunning
Milieudefensie tegen Shell (ECLI:NL:RBDHA:2021:5337)
In een zaak die uitgebreid in het nieuws is geweest, heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat Shell verplicht is de CO2-uitstoot van de Shell-bedrijven, haar toeleveranciers en afnemers te laten afnemen. De rechtbank betrekt in haar beoordeling:

  1. de beleidsbepalende positie van Shell in de Shell-groep,
  2. de CO2-uitstoot van de Shell-groep,
  3. de gevolgen van CO2-uitstoot voor Nederland en het Waddengebied,
  4. het recht op leven en een ongestoord gezinsleven van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied,
  5. de UN Guiding Principles,
  6. de controle en invloed van Shell op de CO2-uitstoot van de Shell-groep en haar zakelijke relaties,
  7. wat ervoor nodig is om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen,
  8. mogelijke reductiepaden,
  9. de dubbele uitdaging om gevaarlijke opwarming van de aarde tegen te gaan en te voorzien in de vraag naar energie van de groeiende wereldbevolking,
  10. het ETS-systeem en andere, elders ter wereld geldende ‘cap and trade’-emmissiestelsels, vergunningen en lopende verplichtingen van de Shell-groep,
  11. de effectiviteit van de reductieverplichting,
  12. de verantwoordelijkheid van staten en de samenleving,
  13. de bezwaarlijkheid voor Shell en de Shell-groep om aan de reductieverplichting te voldoen en
  14. de proportionaliteit van de reductieverplichting van RDS.

De rechtbank concludeert dat Shell verplicht is om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van de activiteiten van de Shell-groep eind 2030 netto 45% te verminderen ten opzichte van 2019. De reductieverplichting is een resultaatsverplichting voor de activiteiten van de Shell-groep. Ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep, met inbegrip van de eindgebruikers, is dit een zwaarwegende inspanningsverplichting, waarbij van Shell kan worden verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door hen gegenereerde CO2-uitstoot op te heffen of te voorkomen en haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te beperken.

Voor de praktijk is het ten eerste van belang om te weten dat deze zaak nog in hoger beroep en eventueel cassatie kan worden gegaan. Of hogere rechters zich kunnen vinden in bovenstaand oordeel, moet dus nog worden afgewacht. Mocht dit oordeel uiteindelijk standhouden, is het de vraag wat de volgende stap zal zijn. Lopen gemeentes een juridisch risico als zij een omgevingsvergunning afgeven voor een activiteit die CO2 uitstoot? En hoeveel CO2-uitstoot is onaanvaardbaar en leidt tot een privaatrechtelijke aansprakelijkheid, zoals hier het geval is geweest? Het valt te verwachten dat een verbouwing van een huis niet direct risico loopt, maar hoe zit dit met de verbreding van een rijksweg? Hierbij kan ook gedacht worden aan Lelystad Airport of grootschalige verbruikers van energie, zoals een datacentrum. Het is op dit moment wachten op de ontwikkeling van de jurisprudentie om hier meer over te kunnen zeggen.

27 mei 2021

Eigendomsrecht
Verjaring in de polder (ECLI:NL:RBROT:2021:4216)
Omstreeks 1750 is gestart met het droogmalen van de Zwanlasche Polder. De kavels die daar ontstonden, zijn verkocht aan particulieren. Circa 250 jaar later zijn de dijkgronden van de polder verkocht aan de gemeente Rotterdam door het Hoogheemraadschap, maar de huidige eigenaren van de kavels zijn van mening dat zij ook eigenaar zijn van de dijkgronden. Het Hoogheemraadschap betwist dit en stelt dat áls de particulieren al eigenaar waren, die recht allang verjaard is.

De rechtbank is het met het Hoogheemraadschap eens. Op zijn minst ten tijde van de start van de bouw van woningen op de betreffende gronden hadden de particulieren naar voren moeten komen. Door de particulieren in onvoldoende gemotiveerd dat zij op dat moment nog niet wisten dat zij eigenaren waren van die gronden. Ook een verzoek op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wordt afgewezen door de rechtbank. Het Hoogheemraadschap staat in haar recht om verjaring in roepen en de gestelde eigendomsrechten van de particulieren te betwisten.

Pachtrecht
(Hoeve)pacht of geen (hoeve)pacht, that is the question (ECLI:NL:GHARL:2021:4270)
Verpachter en pachter zijn twee overeenkomsten aangegaan, te weten een reguliere pachtovereenkomst voor de gebouwen en een geliberaliseerde pachtovereenkomst van het land, behorende bij een melkveelbedrijf. Na het versturen van nieuwe conceptpachtovereenkomsten verzet pachter zich tegen een beperkende bepaling in de nieuwe concepten. In de rechtszaak die daarop volgt, heeft de pachtkamer vastgelegd dat er sprake is van een hoevepachtovereenkomst, ook al is dat niet schriftelijk vastgelegd. De pachtkamer heeft partijen aanbevolen om samen een nieuwe hoevepachtovereenkomst op te stellen op basis van de conceptpachtovereenkomsten, maar dit is partijen niet gelukt.

Hoewel de zaak bij het Hof mede draait om andere aspecten (de toepasselijkheid van algemene voorwaarden, de overdracht van betalingsrechten en de opschorting van betalingsverplichtingen), is het vooral val belang om vast te stellen dat ook het Hof van mening is dat er sprake is van een hoevepachtovereenkomst. Hierdoor is er sprake van reguliere pacht (ook voor de agrarische grond) en geniet de pachter verdergaande pachtbescherming dan het geval zou zijn onder een geliberaliseerde pachtovereenkomst.

Het is voor een verpachter dus niet mogelijk om een agrarisch bedrijf op te knippen in gebouwen enerzijds en land anderzijds, en beide vervolgens aan dezelfde pachter te verpachten om hoevepacht te ontduiken. Indien sprake is van een complex bestaande uit (1) een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en (2) het daarbij behorende land, (3) dienend tot de uitoefening van de landbouw en (4) tegen een overeengekomen tegenprestatie, voldoet de overeenkomst aan de eisen van hoevepacht (7:313 jo. 311 BW). Hoe partijen de overeenkomst ook noemen en of de overeenkomst schriftelijk is, is daarvoor niet van belang.

Bestuursrecht
Hoe te voldoen aan een last onder dwangsom (ECLI:NL:RBLIM:2021:3493)
Het college van B&W heeft een last onder dwangsom opgelegd aan de bewoner van een pand (eiser) dat op de benedenverdieping als winkelruimte werd gebruikt. De last onder dwangsom hield in dat eiser vier bouwwerken bij het pand diende terug te brengen tot een oppervlakte van maximaal 70 m². Later heeft de gemeente de last onder dwangsom aangepast zodat twee van de vier bouwwerken verwijderd moesten worden en de twee overige bouwwerken mochten blijven, omdat het niet in de macht van eiser lag om deze te verwijderen. Er bleek onduidelijkheid te bestaan over aan welke winkel de bouwwerken toebehoorden, en de rechtbank oordeelde dat ook van de twee laatste bouwwerken de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd dat die aan eiser toebehoren.

De gemeente heeft verder onderzoek gedaan en alsnog geconcludeerd dat eiser de laatste twee bouwwerken in stand houdt en het in haar macht heeft om de overtredingen (in stand houden van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning) te beëindigen. Hiervoor heeft de gemeente een nieuwe last onder dwangsom vastgesteld, waarin het verwijderen van de bouwwerken wordt geëist.

Bij de rechtbank voert eiser slechts bewoner (vruchtgebruiker) is van de woning, en niet de eigenaar van het gehele pand. Zij voert aan dat de eigenaar van de grond door natrekking ook eigenaar is geworden van de bouwwerken, en het daarom eiser niet in haar macht ligt de bouwwerken te verwijderen. De rechtbank is het met dit betoog eens en concludeert dat de gemeente onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiser het in haar macht heeft de bouwwerken te verwijderen, nu dit juridisch een inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar inhoudt of kan inhouden.

17 mei 2021

Verbintenissenrecht
­Hoe een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd op te zeggen (ECLI:NL:HR:2021:667)
Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan beëindigd worden door ontbinding en door opzegging. Voor opzegging zijn geen wettelijk vastgestelde regels, maar is van belang wat partijen met betrekking daartoe overeen zijn gekomen. De Hoge Raad heeft recent een arrest gewezen over de opzegging van een duurovereenkomst tussen DAF en haar voormalige importeur en distributeur in Turkije.

De duurovereenkomst was aangegaan voor onbepaalde tijd, maar bevatte een opzegtermijn van twee jaar. De opzegtermijn kon ingekort worden tot een jaar in bepaalde gevallen, waaronder een noodzakelijke (gehele of gedeeltelijke) reorganisatie van DAF van haar bedrijfswagenafdeling of service netwerk in Turkije. DAF heeft de duurovereenkomst twee keer opgezegd, in eerste instantie onder verwijzing naar de opzegtermijn van een jaar en later onder verwijzing naar de opzegtermijn van twee jaar.

Niet in geschil was dat het Turkse mededingingsrecht vereiste dat de duurovereenkomst een opzeggingsclausule bevatte die vrijwel letterlijk is overgenomen uit een Europese verordening. Vanwege de herkomst van de bepaling is voor de betekenis van de bepaling de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ) van belang. Het HvJ heeft over de betreffende bepaling gesteld dat:

“- het bestaan van de “noodzaak van een reorganisatie van het volledig distributienet of van een wezenlijk deel daarvan” een aanzienlijke wijziging veronderstelt, zowel op materieel als op geografisch vlak, van de distributiestructuren van de betrokken leverancier, die op een geloofwaardige manier moet worden gerechtvaardigd door motieven inzake economische efficiëntie die zijn gebaseerd op objectieve omstandigheden binnen of buiten de onderneming van de leverancier die, wanneer het distributienet niet snel wordt gereorganiseerd, zouden kunnen afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande structuren van dit net, rekening houdend met het door de concurrentie gekenmerkt klimaat waarin deze leverancier actief is. […]

 – in geval van betwisting door een dealer van de wettigheid van een opzegging voor de nationale rechterlijke instanties (…), het aan de leverancier staat om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling voor de aanwending van het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van een jaar. Hoe een dergelijk bewijs dient te worden geleverd, is een zaak van het nationale recht;”

DAF stelde bij de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bovenstaande met zich meebrengt dat het mededingingsrecht van de EU van toepassing is. De Hoge Raad is het hier niet mee eens en stelt dat het Hof de achtergrond van de bepaling “van belang” heeft geacht bij de uitleg van de opzeggingsregeling die is opgenomen in de door Nederlands recht beheerste importeursovereenkomst, en van het hier toepasselijke Turkse mededingingsrecht.

Wat uit deze uitspraak volgt, is dat het van groot belang is om duidelijkheid te hebben tussen partijen over de mogelijkheden voor opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het loont zich daarom om goed te overleggen over de formulering en invulling van opzeggingsclausules in duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd.

Pachtrecht
Betalingsrechten en fosfaatrechten, voor de pachter of verpachter? (ECLI:NL:GHARL:2021:4288)
Het gaat in deze zaak om de vraag of de pachters betalingsrechten en fosfaatrechten aan de verpachter moeten overdragen op grond van de tussen hen gesloten geliberaliseerde pachtovereenkomsten van drie jaar. In de overeenkomsten was het volgende opgenomen: “Mochten er tijdens de duur van deze overeenkomst rechten, in welke vorm dan ook, ontstaan welke samenhangen met het gebruik van het gepachte uit deze overeenkomst dan zullen deze rechten, hoe ook genaamd, aan het eind van de overeenkomst aan verpachter toekomen.

Het hof vindt van dat een pachter niet gehouden is toeslagrechten – begrepen als de voortzetting van een stelsel van rechtstreekse inkomenssteun – aan de verpachter over te dragen. Betalingsrechten zijn in de plaats gekomen van toeslagrechten en komen wat karakter betreft daarmee overeen. Met dit karakter strookt het niet om (een deel dan wel het geheel van) de waarde/uitbetaling van deze toeslagrechten/betalingsrechten aan de verpachter toe te kennen.

Opstalrecht
­Kabels, leidingen en opstalrechten, wie heeft waar recht op? (ECLI:NL:RBOBR:2021:1816)
KEM heeft een eeuwigdurend en exclusief opstalrecht op een perceel om kabel- en leidingnetten te exploiteren en anderen naar eigen inzicht en goeddunken van dit recht (mede)gebruik te laten maken. Bij graafwerkzaamheden is een bestaande kabel van Enexis beschadigd en is Enexis voornemens een nieuwe kabel ter vervanging te plaatsen. KEM laat aan Enexis weten dat het aanleggen van kabels in de grond van het perceel enkel met haar toestemming is toegestaan en zij deze toestemming wilt geven in ruil voor ene financiële vergoeding. Enexis is bereid een (in haar ogen) redelijke vergoeding te willen betalen, maar partijen komen er onderling niet uit. Enexis heeft de kabel vervolgens zonder toestemming geplaatst.

De rechtbank splitst het geschil op in drie separate vragen:

  1. Kan Enexis een beroep doen op artikel 5:21 lid 2 BW (het gebruik boven en onder de oppervlakte is aan anderen dan de eigenaar toegestaan, indien dit zo hoog of diep gebeurt dat de eigenaar geen belang heeft zich hiertegen te verzetten) terwijl KEM geen eigenaar is?
  2. Moet er getoetst worden aan het belang van de eigenaar of (ook) aan het belang van KEM?
  3. Heeft KEM een belang om zich te verzetten tegen de door Enexis gelegde kabel?

Met betrekking tot de eerste vraag komt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 3:81 BW inhoudt dat de rechten van het moederrecht (eigendom) bepalend zijn. Dat betekent dat Enexis een beroep kan doen op artikel 5:21 lid 2 BW jegens KEM.

Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt de rechtbank dat ook de belangen van KEM getoetst moeten worden. Dat in artikel 5:21 BW “eigenaar” staat, betekent niet dat dit artikel niet ook van toepassing is op degene die een beperkt recht heeft, zoals een opstalhouder. Veel bepalingen uit boek 5 van het BW zijn geschreven voor de eigenaar van een zaak. De bepalingen uit boek 5 die de bevoegdheden van een eigenaar (kunnen) beperken, gelden in het algemeen echter ook als iemand deze bevoegdheden uitoefent krachtens een beperkt recht. Dat is hier het geval.

De derde vraag ziet op de inhoud van het geschil. Alleen het belang van KEM dat samenhangt met het opstalrecht mag worden meegewogen. Het belang om in ruil voor het verlenen van toestemming een tegenprestatie te verkrijgen of een zuiver ondernemersbelang mogen niet worden meegewogen. KEM’s voornaamste argument om zich tegen de kabel te verzetten, is gelegen in haar financiële belang als ondernemer om in ruil voor de aanleg een vergoeding te kunnen vragen. Ter zitting heeft KEM toegelicht dat haar belang erin zit dat dit juist haar verdienmodel is. Zoals gezegd kan een zuiver financieel ondernemersbelang echter niet als belang van eigenaar van de grond in de zin van artikel 5:21 lid 2 BW worden meegewogen, en dus ook niet als belang van de opstalhouder. Enexis heeft verder onderbouwd gesteld dat de telecommaatschappijen die KEM voor ogen heeft hun kabels niet leggen op de diepte waar de kabel van Enexis ligt en dat er bovendien boven of naast de kabel van Enexis onbeperkt andere kabels gelegd kunnen worden. Ook hierin ziet de rechtbank dus geen belang van KEM.

De conclusie die uit deze uitspraak getrokken kan worden is dat een netbeheerder ook een kabel kan aanleggen in een perceel zonder toestemming van een beperkt gerechtigde, als de kabel maar zo diep ligt dat de (eigenaar of) beperkt gerechtigde geen belang heeft om zich daartegen te verzetten. Hoe diep dat moet zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.

Bestuursrecht
Onjuiste en/of onvolledige informatieverstrekking door de overheid hoeft niet onrechtmatig te zijn (ECLI:NL:GHARL:2020:10446)
Een particulier heeft navraag gedaan bij de gemeente over sluitingstijden voor een café. Medewerkers van de gemeente hebben aangegeven dat een café tot 03:00 geopend mocht zijn. Na het verkrijgen van een horecavergunning heeft de particulier een café geopend, maar al snel bleek dat de planologie geen café toestond. Een wijziging op korte termijn was mogelijk, maar dat zou beperkingen met zich meebrengen voor de exploitatie van het café, waaronder een sluitingstijd van 22:00.

Het Hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad (Van Zoggel) waaruit blijkt dat een gemeente niet steeds onrechtmatig handelt, als zij op verzoek van een belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen geeft. Of dit het geval is , hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en wat de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Pas indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen onrechtmatig is en dat de gemeente op grond daarvan aansprakelijk is doordat de belanghebbende door die onjuiste of onvolledige inlichtingen op het verkeerde been is gezet.

In onderhavig geval was de onjuistheid/onvolledigheid niet voldoende om onrechtmatigheid aan te nemen. Hierbij speelt mee dat (1) niet is gebleken dat de gestelde vragen voldoende gedetailleerd waren om een volledig beeld te geven van de plannen van de particulier (appellant in de procedure), en (2) appellant niets heeft gesteld over de (voor hem kenbare) functie van de medewerkers die hem onjuist hebben geïnformeerd, anders dan dat het zou gaan om medewerkers die hem in het gemeentehuis aan de balie te woord stonden. Voor een aanname van onrechtmatigheid is een gerechtvaardigd vertrouwen op de gedane mededelingen vereist. Dit gerechtvaardigd vertrouwen wordt eerder geacht aanwezig te zijn bij een (gespecialiseerde) hogere ambtenaar dan bij een baliemedewerker van de gemeente. Volgens het Hof had appellant niet zonder nader onderzoek op de verstrekte informatie mogen afgaan.

JAN SACHTLEVEN

Jurist

CONTACT

    BERICHT

    Wiltonstraat 38
    3905 KW Veenendaal
    Postbus 314
    3900 AH Veenendaal
    0318 – 582150

    Schrevenweg 3
    8024 HB Zwolle
    Postbus 50056
    8002 LB Zwolle
    038 – 8200384