Daan de Wolf
Casus
Tussen een verpachter en een pachter bestaat een geschil over de vraag wanneer de aanspraak van de verpachter op fosfaatrechten ontstaat en wanneer deze aanspraak opeisbaar wordt. De pachter beschikt over fosfaatrechten die zijn toegekend tijdens de looptijd van een pachtovereenkomst. De verpachter stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak heeft op overdracht van (een deel van) deze fosfaatrechten tegen betaling van 50% van de waarde. In cassatie staat centraal of deze aanspraak reeds opeisbaar is bij het einde van de pachtovereenkomst, dan wel pas bij het einde van de pachtverhouding.
Overwegingen
De procureur-generaal onderscheidt nadrukkelijk tussen het ontstaan van de aanspraak en de opeisbaarheid daarvan. Volgens de procureur-generaal ontstaat de aanspraak van de verpachter op fosfaatrechten reeds bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Deze aanspraak dient vooral als (gedeeltelijke) compensatie voor de waardedaling van het agrarisch onroerend goed van de verpachter als gevolg van dat stelsel. Het gaat om een niet-opeisbare vordering tot levering van fosfaatrechten tegen betaling van 50% van de waarde. De aanspraak eindigt in beginsel indien het fosfaatrechtenstelsel wordt ingetrokken, omdat dan ook de waardevermindering van het agrarisch onroerend goed vervalt.
Voor de opeisbaarheid van de aanspraak acht de procureur-generaal beslissend het moment waarop het feitelijk gebruik niet langer wordt voortgezet, en niet het formele einde van de pachtovereenkomst of de afloop van een pachttermijn. Een andere uitleg zou onvoldoende aansluiten bij de beschermingsgedachte van het pachtrecht en kan tot onredelijke en verrassende gevolgen voor pachters leiden, met name bij het sluiten van opvolgende pachtovereenkomsten.
Conclusie
De procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De aanspraak van de verpachter op fosfaatrechten ontstaat bij invoering van het fosfaatrechtenstelsel, maar wordt pas opeisbaar bij het einde van de pachtverhouding.