Daan de Wolf
Casus
Een gemeente heeft de rechtbank verzocht om een onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Een belanghebbende heeft vervolgens een bedenking ingediend tegen die onteigeningsbeschikking. De gemeente is voornemens een landbouwontsluitingsweg te realiseren ten behoeve van ontsluiting van enkele agrarische percelen. Deze percelen zullen namelijk niet langer bereikbaar zijn vanwege de ontwikkeling van justitieel complex. Voor de vereiste landbouwontsluitingsweg is vereist dat een gedeelte het perceel van de belanghebbende wordt aangekocht.
Overwegingen
Het uitgangspunt is dat de bekrachtigingsprocedure bij de rechtbank ook een rechstbeschermingsfunctie van de behandeling van een beroep in eerste aanleg vervult. Gelet daarop wordt aan belanghebbenden de gelegenheid geboden hun argumenten tegen de onteigeningsbeschikking aan de rechter voor te leggen in de vorm van een bedenking. Het heeft aldus een vergelijkbare functie als een beroepsschrift in een reguliere beroepsprocedure. De bedenkingen van een belanghebbende kunnen de rechter aanleiding geven om aanvullend op de basistoets een meer casusspecifieke toetsing van de rechtmatigheid van de onteigeningsbeschikking te verrichten. Er geldt geen getrapt stelsel voor het indienen van bedenkingen, wat betekent dat ook een bedenking kan worden ingebracht als er geen zienswijze is ingediend. De bestuursrechter heeft de ruimte en de verantwoordelijkheid om een passende toetsingsmaatstaf en toetsingsmoment te kiezen. Daarbij kan de rechter, afhankelijk van de rechtsgrond waarop een bedenking steunt, gewicht toekennen aan de opstelling van de belanghebbende in het minnelijk overleg en de openbare voorbereidingsprocedure.
De belanghebbende heeft in zijn bedenking aangevoerd dat de onteigening niet noodzakelijk is, omdat de gemeente volgens hem geen redelijke poging had gedaan het perceel op minnelijke wijze te verwerven. De belanghebbende stelt namelijk dat er niet serieus is onderhandeld met hem. De belanghebbende stelt ten eerste dat de gemeente drie keer eenzelfde schadeloosstelling heeft aangeboden Daarnaast had de gemeente zich volgens de belanghebbende niet mogen baseren op het taxatierapport van een grondverwerver aangezien dit rapport volgens de belanghebbende niet is opgesteld door een onafhankelijke, onbevooroordeelde en transparante taxateur. De belanghebbende heeft daarnaast aangevoerd dat er geen sprake is van de vereiste noodzaak, aangezien het perceel volgens hem niet nodig is voor de ingebruikname van het justitieel complex of de ontsluiting van de agrarische percelen.
De rechtbank is van oordeel dat de onteigening van het gedeelte van het perceel wel noodzakelijk is. Het argument van de belanghebbende dat de landbouwontsluitingsweg ook over een ander perceel kon worden gerealiseerd is een ruimtelijk relevant argument. Het had op de weg van de belanghebbende gelegen om een dergelijk argument aan te voeren in een beroep tegen de vaststelling van het (toenmalige) bestemmingsplan. Daarnaast heeft de gemeente ter zitting voldoende gemotiveerd dat er een verkeersbelang is bij een rechte weg en geen weg met vele bochten. Van de weg zal namelijk gebruik worden gemaakt door zowel landbouwmachines als fietsers.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente daarnaast - zoals volgt uit het logboek - een redelijke poging gedaan om het perceel in minnelijkheid te verwerven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente niet een zodanig bod gedaan, dat het niet kan worden gezien als een poging tot minnelijke verwerving.
Op grond van artikel 16.111 van de Omgevingswet wordt een bestuursorgaan veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die bedenkingen tegen een onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij is het Besluit proceskosten bestuursrecht niet van toepassing. De rechtbank wordt verplicht een proceskostenveroordeling ten gunste van de belanghebbende uit te spreken, zodat deze veroordeling niet afhankelijk is van het inhoudelijke rechterlijke oordeel op het verzoek tot bekrachtiging. Het moet gaan om kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de kosten redelijkerwijs gemaakt zijn. 'Redelijkerwijs' moet in dit geval worden uitgelegd volgens de dubbele redelijkheidstoets: de bijstand moet redelijkerwijs zijn ingeroepen en de kosten ervan moeten redelijk zijn.
Conclusie
De rechtbank wijst het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking toe en veroordeeld de gemeente tot betaling van de kosten die de belanghebbende heeft gemaakt in verband met de bedenkingen die hij heeft ingebracht tegen de onteigeningsbeschikking.