Planschade en nadeelcompensatie

Netbeheerder heeft voldoende minnelijk overleg gevoerd in het kader van gedoogplicht (ECLI:NL:RBOVE:2026:1259)

Daan de Wolf

Casus 
Een stichting is eigenaar van gronden waarover een ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt aangelegd een netbeheerder. Omdat geen overeenstemming werd bereikt over een zakelijk recht, heeft de minister op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht een gedoogplicht opgelegd. De stichting verzet zich hiertegen en voert onder meer aan dat (i) de gedeeltelijke vernietiging van de gedoogbeschikking door het gerechtshof ook het bestreden besluit raakt, (ii) onvoldoende is gekeken naar alternatieve tracés en (iii) geen serieuze poging tot minnelijke overeenstemming is gedaan. 

Overwegingen 
De rechtbank stelt voorop dat er een strikte bevoegdheidsverdeling bestaat tussen de civiele rechter (gerechtshof) en de bestuursrechter. Een (gedeeltelijke) vernietiging van de gedoogbeschikking door het gerechtshof betekent niet automatisch dat het besluit op bezwaar ook moet worden vernietigd, omdat beide rechters verschillende toetsingskaders hanteren. 

Ten aanzien van alternatieve tracés overweegt de rechtbank dat de tracékeuze al is vastgelegd in onherroepelijke bestemmingsplannen. De minister mocht daarom aansluiten bij de planologische besluitvorming en hoefde dit niet opnieuw te onderzoeken in de gedoogprocedure. 

Met betrekking tot het minnelijk overleg oordeelt de rechtbank dat voldoende is gebleken dat serieuze en redelijke pogingen zijn gedaan om tot overeenstemming te komen. Dat de netbeheerder een standaardovereenkomst hanteert en vasthoudt aan een opstalrecht voor onbepaalde tijd, maakt het aanbod niet onredelijk. Ook het ontbreken van een periodieke vergoeding is niet doorslaggevend, aangezien de wet daartoe niet verplicht. 

Conclusie 
De rechtbank oordeelt dat de minister de gedoogplicht terecht heeft opgelegd. Het beroep van de stichting is ongegrond. 

Terug naar overzicht