Omgevingsrecht

Stichting wordt niet als belanghebbende gekwalificeerd in omgevingsrechtzaak (ECLI:NL:RVS:2026:3051)

Daan de Wolf

Casus

Een gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat voorziet in de realisatie van een recreatieterrein met een aantal natuurhuisjes en een nieuw horecagebouw. Het overige gedeelte van de ontwikkeling ziet op realisatie van nieuwe natuur in het gebied. Een stichting komt op tegen het bestemmingsplan, omdat zij vreest voor de aantasting van de verkeersveiligheid en milieuvervuiling.

Overwegingen

De Afdeling buigt zich over de ontvankelijkheid van de stichting. Ten eerste constateert de Afdeling dat de stichting geen zienswijze heeft ingediend tegen het bestemmingsplan. Gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht zou de stichting daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Echter volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het zogenaamde Varkens in Nood-arrest) dat in alle omgevingsrechtelijke zaken artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet aan belanghebbenden kan worden tegengeworpen. Of de stichting in dit geval ontvankelijk is, is dus afhankelijk van de vraag of het als belanghebbende kan worden gekwalificeerd.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. De stichting heeft als doelstelling – gelet op haar statuten – het opkomen voor landschappelijk verantwoorde recreatieontwikkelingen in het rivieren- en dijkengebied van de Nederlandse Delta. Dit doel is gericht op het behartigen van een algemeen belang als bedoeld in artikel 1:2, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht.

Naast de voorgenoemde algemene statutaire doelstelling van de stichting is, om te kunnen bepalen of haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, van belang of de stichting met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of een belangenorganisatie feitelijke werkzaamheden verricht, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn als de continuïteit van de activiteiten ter beoordeling voorligt. Verder geldt dat het alleen voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook werkzaamheden die verband houden met het voeren van juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden.

De Afdeling concludeert in dit geval dat de stichting in de relevante periode geen feitelijke werkzaamheden heeft uitgevoerd met het oog op de behartiging van haar doelstelling. Dit betekent dat zij niet als belanghebbende kan worden gekwalificeerd.

Conclusie

De Afdeling oordeelt dat de stichting in de relevante periode geen feitelijke werkzaamheden met het oog op de behartiging van haar statutaire doelstelling heeft uitgevoerd. De stichting kan derhalve niet worden gekwalificeerd als een belanghebbende. Doordat de stichting niet als belanghebbende is gekwalificeerd, kan het Varkens in nood-arrest niet worden toegepast en geldt artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht onverminderd.

Terug naar overzicht