Onteigening/ gedoogplicht

Vormvoorschrift wordt gepasseerd bij verzoek bekrachtiging onteigening (ECLI:NL:RBMNE:2026:929)

Daan de Wolf

Casus

Een gemeente heeft het voornemen om meer ruimte te creƫren voor bedrijven in de gemeente door een bedrijventerrein uit te breiden. In het kader van deze uitbreiding dienen drie percelen door de gemeente te worden verworven. De gemeente heeft een onteigeningsbeschikking vastgesteld en ingediend bij de rechtbank begeleidend met een verzoek tot bekrachtiging. De eigenaar van de percelen heeft bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking.

Overwegingen

De rechtbank buigt zich over de vraag of voldaan is aan de wettelijke vormvoorschriften. De ontwerp-onteigeningsbeschikking moet niet als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast niet alleen ter inzage worden gelegd, maar de ontwerp-beschikking moet ook voorafgaand aan de terinzagelegging worden toegezonden aan de belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht. Hetzelfde geldt voor de vastgestelde onteigeningsbeschikking. Onder belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht, behoren in ieder geval de eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van de percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente de ontwerp-onteigeningsbeschikking heeft toegezonden aan de eigenaar van de percelen. Uit het logboek blijkt dat de percelen van de eigenaar op basis van een geliberaliseerde pachtovereenkomst worden gepacht. De pachter heeft op grond van de overeenkomst een persoonlijk recht op de percelen en moet om die reden als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank stelt echter vast dat zowel de ontwerp-onteigeningsbeschikking en vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan de pachter zijn toegezonden. De gemeente heeft ter zitting toegelicht dat zij bekend was met het feit dat de percelen worden verpacht. Echter staat de pachtovereenkomst niet ingeschreven in het Kadaster en heeft zij naar eigen zeggen de eigenaar in gesprekken herhaaldelijk heeft gevraagd om de gegevens van de pachter, maar niets is aangeleverd. Om die reden konden de ontwerp-onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan de pachter worden toegezonden. De gemeente stelt dat dit wellicht een gebrek is, maar dit haar niet kan worden verweten. Omdat er voldoende moeite was gedaan om de gegevens van de pachter te achterhalen. Overigens stelde de gemeente ook dat zij op een gegeven moment de pogingen staakte om de gegevens van de pachter te achterhalen, aangezien de eigenaar had toegezegd de percelen vrij van pacht te leveren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente in dit geval niet voldaan aan haar verplichting om de (ontwerp-)onteigeningsbeschikking aan alle belanghebbenden toe te zenden. De rechtbank oordeelt dat de gemeente ook niet de vereiste moeite heeft genomen om de gegevens te achterhalen. De gemeente had enkel in de brief in het kader van de laatste bieding toegevoegd dat zij tevens alle gegevens van de gebruikers op de percelen aangeleverd diende te krijgen. De rechtbank oordeelt dat het voor de eigenaar daarom onduidelijk was waarom de gegevens moesten worden toegestuurd. Het feit dat de gemeente in diverse gesprekken een herhaaldelijk verzoek om deze gegevens heeft gedaan, wat overigens wordt betwist door de eigenaar, maakt dit oordeel niet anders. Het voorgaande neemt met zich mee dat de onteigeningsbeschikking naar het oordeel van de rechtbank niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid. De rechtbank kan aan dit gebrek bij de voorbereiding van de beschikking voorbijgaan met de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is mogelijk indien aannemelijk is dat de pachter als belanghebbende niet is benadeeld doordat de (ontwerp-)onteigeningsbeschikking niet aan hem is toegezonden. De griffier van de rechtbank had namelijk voorafgaand aan de zitting contact opgenomen met de pachter. De pachter had hierbij aangegeven dat hij niet als belanghebbende wil deelnemen aan de procedure. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat hij niet in zijn belangen is geschaad. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat het onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie aanwezig zijn bij de onteigening.

Conclusie

De onteigeningsbeschikking is noodzakelijk, de onteigening is urgent en er is een onteigeningsbelang. De onteigeningsbeschikking is niet volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid, maar de rechtbank passeert dit gebrek met de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het verzoek om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen, toewijzen.

Terug naar overzicht